Cultuur: overheid of samenleving?

Column – Joost mag het weten

Bezuinigingen op cultuur. Een beproeft recept voor reuring. Onlangs stond in de krant een artikel dat de provincie cultuur bij het grof vuil zou zetten. Ook de gemeente krijgt zulk commentaar zodra ze niet meer als een op hol geslagen flappentap optreedt.

Natuurlijk, als een museum, podium of schouwburg minder subsidie krijgt, is dat voor de betrokkenen niet leuk. Gevestigde belangen komen in het geding. Paradoxaal verengt men dan het belang van cultuur tot de centenkwestie. Alsof cultuur alleen belangrijk is als de overheid er meer geld aan uitgeeft.
Is het culturele domein juist niet te afhankelijk is geworden van de overheid? Met subsidies vanuit overheden zelf of vanuit door
overheidsgefinancierde fondsen. Geldstromen die bijdragen aan gevestigde belangen. Allerlei criteria bij de subsidieaanvraag om de kwaliteit zogezegd te bewaken.
De bijzondere situatie nu met corona is een ander verhaal. Dat is als een natuurramp. Het is zonde als waardevolle initiatieven en organisaties daardoor sneuvelen. Maar dat geldt veel breder dan de gesubsidieerde cultuurinstellingen. Bijvoorbeeld ook voor commerciële organisaties die evenementen organiseren. Dan zijn steunpakketten broodnodig om de coronatijd financieel te kunnen overleven.
Dat overheden voor zichzelf een rol zien om culturele initiatieven op gang te helpen, prima. Op die manier zou een gemeente een poppodium kunnen realiseren. Met een rol in de opstartfase. Na een paar jaar wel op eigen benen.
Een ander aspect is de vernieuwende kunst. Persoonlijk is het niet mijn ding, maar het heeft waarde om creatieve geesten nieuwe dingen te laten bedenken. De ene inspiratie leidt weer tot iets anders. Net als bij fundamenteel wetenschappelijk onderzoek weet je niet op voorhand wat het oplevert, maar nu en dan geeft het goede vondsten.

Maar dan de gevestigde culturele industrie. Is dat iets wat in hoge mate moet drijven op overheidsgeld? Heeft de sector daar zelf echt wel belang bij? Ja, het geeft misschien een mate van zekerheid, maar zet de benadering als “PTT staatsbedrijf” tegelijkertijd niet een rem op innovatie?

Financiële afhankelijkheid van de overheid is geen noodzaak. Culturele filantropie is bijvoorbeeld in Amerika verder ontwikkeld. De kunstbeschermer, mecenas, die het aan zijn stand verplicht acht om financieel bij te dragen aan kunst en cultuur. Dichter bij huis zijn er vanuit het verleden beroemde voorbeelden. Denk aan het Concertgebouw in Amsterdam. Eind 19e eeuw bekostigd door de gegoede burgerij. Dat de overheid in de 20e eeuw zich de bekostiging van het culturele domein heeft toegeëigend maakt niet dat dat de enige mogelijkheid is.

Ook het profijtbeginsel raakt dit onderwerp. Gratis bestaat niet, uiteindelijk moeten ergens de kosten gedragen worden. Of dat nu de gebruiker of de belastingbetaler is. De gebruiker kan bijdragen door een kaartje te kopen. Dat zorgt niet alleen voor een kostendrager, het betekent ook dat mensen afwegingen kunnen maken. Hoeveel draagvlak is er voor een museum, schouwburg of podium? Sluiten de ambities van de culturele instellingen daarop aan? Het houdt de aanbieders van cultuur scherper dan wanneer ze de relatieve zekerheid van een overheidssubsidie hebben.

Het profijtbeginsel helpt ook bij het tegengaan van de zogenoemde paracommercie. De situatie waarin normale horeca te maken heeft met concurrentie van gesubsidieerde instellingen. Denk aan een poppodium of aan een bioscoop die een gesubsidieerd filmhuis als buurman heeft.

Kunst en cultuur doen er toe. Maar dat is een andere kwestie dan of het grotendeels door de overheid bekostigd moet worden. Een verschuiving van overheid naar samenleving kan de betrokkenheid juist doen toenemen.